dinsdag 6 maart 2012
Onlangs kwam er een kerkleider uit Sentani naar Wamena bij Sue op bezoek. Hij wil graag iets zien van haar ministry. Sue neemt hem mee in de auto en rijdt naar het eind van de landingsbaan, waar naast de vuilnisbelt de begraafplaats is voor de arme mensen. Daar stopt ze. De man kijkt haar bevreemd aan: wat hebben ze hier te zoeken? Wel, zei Sue, je wou toch iets van mijn werk zien? Nou, dat is hier! Hier komen wij zeker drie keer per week de mensen begraven, als je uitstapt zal ik het je laten zien: al de verse graven van de afgelopen weken en maanden. De beste man begint te huilen…
Het is natuurlijk ook om te huilen! AIDS is een regelrechte epidemie geworden, screening levert percentages op onder jongeren die de hoogste zijn in heel zuid-oost Azië (rond de 50%), en er is niet veel rekenkunst voor nodig om te kunnen voorspellen dat de bevolking hier in de nabije toekomst gedecimeerd zal worden. Maar de overheid mag het dan nu (eindelijk!) als een probleem erkennen, tot grote frustratie van Sue staat het nog steeds niet op de agenda van de kerken. Het zou toch topprioriteit moeten hebben!
Sue is een Ierse verpleegkundige, die hier al zo’n 33 jaar werkt. Ooit deden we in 1977 samen de SIL-cursus in Engeland, niet wetend dat we elkaar hier op Papua weer tegen zouden komen. Met ons gezin zijn we enkele malen bij haar vakantie wezen houden; toen woonde en werkte ze nog in Soba, een plaats in een kleine vallei naast de kloof waardoor de Baliem-rivier zich een weg baant naar het laagland in het zuiden van Papua waar ook ergens Wanggemalo ligt. Toen al werkte ze naast haar medische werk ook aan een Bijbelvertaling in het Hupla, de taal van de mensen in die vallei. Inmiddels is die vertaling af en gecheckt en nog eens gecheckt, goedgekeurd door Lourens de Vries, en klaar om uitgegeven te worden door het Indonesische Bijbelgenootschap. Nu blijkt echter dat ze zelf geacht wordt om de vertaling print-klaar aan te leveren. En dus gaat ze er (samen met haar taalhulp) noodgedwongen nog weer een keer helemaal doorheen: perikopen indelen, illustraties er bij plaatsen, de bladspiegel verzorgen. “En het is zo’n dik boek, die Bijbel!”, verzucht ze, “en look at me, ik ben maar een gewone verpleegster!” Nee Sue, een buitengewone!
Ook in de Kombai van Wanggemalo wordt Bijbelvertaalwerk gedaan. In Sentani ontmoet ik Sung Kyu en zijn vrouw Ji Sook, een Koreaans echtpaar dat voor Wycliffe werkt. Ze komen net terug van een paar weken Wanggemalo. Ik word niet echt blij van wat hij te vertellen heeft: de bevolking is helemaal in de ban van het geld. De regering van Jakarta pompt enorme bedragen in deze provincie, voornamelijk uit politieke motieven, en zonder al te goed doordacht ontwikkelingsbeleid. Van alle kanten hoor je daarover schrikbarende verhalen. Sung Kyu vertelt dat er vorige week in Wanggemalo 300 miljoen rupiah is uitgedeeld, omgerekend zo’n € 25.000,-. Daar moeten ze dan wel een cementen weg voor aanleggen door het dorp, zodat ze niet meer door de modder hoeven te baggeren in de regentijd, maar het één staat tot het ander in geen verhouding. En wat moeten ze met zulke bedragen? Slimme jongens beloven ze nog veel meer, als ze hun geld bij hen willen beleggen. De mensen staat in de rij, maar worden waarschijnlijk bedrogen waar ze bij staan…
Sung Kyu heeft het boek Rut vertaald, en laat me er ook audio-opnamen van horen. Hij is nog met verschillende andere projecten bezig in de Kombai. Maar de afgelopen weken heeft hij in Wanggemalo aan taalwerk dus niet veel kunnen doen.
Inmiddels ben ik hier in Wamena, in de uitgestrekte Baliemvallei, die zo’n 2000 meter hoog tussen de bergen ligt. De grootste stad ter wereld die voor 100% afhankelijk is van een luchtbrug: vrijwel alles wat hier gebouwd, gegeten, en verhandeld wordt, komt met vliegtuigen uit Sentani en Biak. Alle auto’s en motoren hier (en het zijn er elk jaar weer meer) zijn door de lucht aangevoerd, evenals alle brandstof waar ze op rijden. Geen wonder dat alles hier dubbel zo duur is als aan de kust. En voor benzine betaal je hier haast net zoveel als in Nederland.
De komende week ga ik hier aan aantal dagen lesgeven aan de Theologische Opleiding van de GJPI, dat zijn de kerken die voortgekomen zijn uit het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeenten. Vanmorgen ben ik bij hen naar kerk geweest, een grote kerk vol Papua’s: Yali’s uit de Pass Vallei, Una uit het gebied van Bomela en Langda, en de Nipsan: de drie stammen in de bergen rond deze vallei waar de Gereformeerde Gemeenten hun zendingsgebied hebben, of beter gezegd: hadden, want ook deze kerken zijn inmiddels zelfstandig geworden. Ongelooflijk eigenlijk, als je je realiseert dat deze vallei pas vlak voor de 2e Wereldoorlog werd ontdekt, en dat het zendingswerk hier pas in de jaren 50 echt goed van start is gegaan! Het maakt je ook bescheiden in het oordeel over deze kerken; natuurlijk ontbreekt er in onze ogen nog heel veel aan, maar is dat zo gek? Het is een wonder dat er al zoveel is!
Wamena lijkt wel overgenomen door de Nederlanders, zegt Sue. En inderdaad, het zijn er heel wat tegenwoordig. Ik tel zo al 7 gezinnen. Ze vliegen voor de MAF, begeleiden mensen die piloot willen worden, werken aan de Theologische Opleiding, of voor ontwikkelingsprojecten van Oikonomos, produceren Bijbels materiaal voor jeugd en jongeren, of werken op de Kalvari-kliniek. Maar als ik vanmiddag de internationale dienst bijwoon op het terrein van de MAF, ontmoet ik toch ook heel wat Amerikanen, Duitsers en Zwitsers. Allemaal zijn ze op een andere manier betrokken bij de opbouw van de kerken hier op Papua.
Marcel Kooijmans heeft vandaag de leiding, en doet dat op een enthousiaste en stimulerende manier. We zingen bij de gitaar, opwekkingsliederen. De meeste zijn mij onbekend. Maar aan het slot zingen we ook nog een paar die ik wel ken; Like a deer pants for the water… Ik moet denken aan Soba, waar we op een zondag lang geleden in een dienst in één van de dorpjes in die vallei samen met Sue voor in de kerk dat lied zongen. Herinneringen…
Halverwege de bijeenkomst is het gebedsgedeelte. Iedereen kan bidden waar hij of zij zich toe gedrongen voelt. Er wordt gebeden voor slachtoffers van de stormen in de USA (waar ik nog niets van wist), voor de Aidspatiënten hier in de Baliem, voor de straatkinderen van het project van Willie Berghuis (Marcel had er wat over verteld en er speciale aandacht voor gevraagd met wat foto’s op de beamer); voor een ziek familielied. We danken voor veilige vluchten, en voor een vrouw uit Nipsan die al vanaf woensdag aan het bevallen was, en gisteren emergency is uitgevlogen en hier een gezonde baby heeft gekregen. We bidden om regen (er is watergebrek), en om benzine (er dreigt tekort aan brandstof voor de vliegerij van de MAF). Voor de stammenstrijd rond Karubaga, hier een kwartiertje vliegen verderop. En nog voor zoveel andere dingen.
Aan het eind van de samenkomst nemen we afscheid van Isaac & Amber Rogers; ze hebben hier een aantal jaren gewoond (Dineke en ik hebben in 2010 een paar dagen bij hen gelogeerd), maar gaan nu verhuizen naar de MAF-basis in Oost-Kalimantan. We gaan samen letterlijk en geestelijk dicht om hen heen staan, en een aantal mensen gaat voor in dankgebed voor wat ze hier mochten betekenen, en draagt hen op aan de zorg van de Here. Ontroerend en aangrijpend. Ook wel hilarisch, als iemand bidt dat er daar op Kalimantan toch maar goede restaurants mogen zijn voor Isaac (hij houdt zo veel van lekker eten).
Als ik tegen de avond terug loop naar huis, zingt het in me. Wat is dit mooi om mee te maken! Het feit alleen al dat je met zoveel mensen met zo verschillende achtergrond bij elkaar zit, die allemaal zich inzetten voor de kerken hier op Papua, en die zo om elkaar heen staan, elkaar troosten en bemoedigen, en samen hun kracht bij de Here zoeken. En dan samen zingen:
Send forth your Word, Lord
And let there be light!
Zo kunnen we de week weer in!
A Dieu,
Jaap
zondag 26 februari 2012
Hoe oud zijn we eigenlijk? Waar moeten we beginnen te tellen? Bij deze eerste synode? Of bij de eerste doop? Maar wanneer was dat? En het is voor elke regio weer anders. Bij deze eerste synode? Maar daar is toch een hele geschiedenis aan vooraf gegaan; we bestaan al veel langer! Wanneer is onze gezamenlijke geschiedenis als Gereformeerde Kerken in Indonesië eigenlijk begonnen?
De discussie gaat een hele tijd heen en weer, maar eindelijk worden ze het eens: het begin ligt in de verklaring, die op 1 november 1976 in Kouh werd opgesteld door vertegenwoordigers van de kerken op Sumba en de jonge gemeenten op Papua: “Wij verlangen, om samen te leven op één grondslag, namelijk het Woord van God, zoals dat geleerd wordt door de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofbelijdenis en de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten, en om te komen tot een vorm die de geloofseenheid tot uitdrukking brengt en tot een kerkverband in Indonesië, (…)en om contact te leggen met de kerken, die door de Zending der Gereformeerde Kerken in Kalimantan Barat worden gesticht, en om contact te zoeken met alle kerken in Indonesië op dezelfde grondslag.”
Bij die gelegenheid, ruim 35 jaar geleden, werd ook gekozen voor de naam waaronder in de afgelopen week de eerste nationale synode van de GGRI werd gehouden, hier in Sentani op Papua. Een historische gebeurtenis! Twaalf broeders, uit elke regio vier, maken van woensdag tot en met zaterdag lange dagen om alle punten op de agenda af te werken. Ze hadden eigenlijk eerder willen beginnen, maar het wachten was op toestemming van de politie. Die moest komen uit de hoogste regionen in Jakarta. Tot ieders grote dankbaarheid en verwondering komt die toestemming op het laatst toch nog onverwacht snel! Een verhoring van gebeden in binnen- en buitenland. Het zat namelijk vooral vast op de aanwezigheid van een aantal buitenlanders: afgevaardigden van de zusterkerken in Nederland, Canada, Australië, en Papua New Guinea (PNG, het onafhankelijke oostelijke deel van dit eiland).
Na de officiële opening door een hoge vertegenwoordiger van de gouverneur van Papua, en na de toespraken van de buitenlandse gasten, gaan de synode onder leiding van een moderamen, samengesteld uit predikanten uit de drie regio’s, enthousiast aan de slag. Meteen maar met één van de belangrijkste onderwerpen: de theologische opleiding. Op de conferentie die deze kerken in 2008 in Kalimantan hielden was al afgesproken, dat de opleiding in Waingapu op Sumba de centrale opleiding van de drie regio’s zou worden. Maar in de praktijk is daar de afgelopen jaren nog niets van terecht gekomen. De kerken op Papua hebben intussen studenten gestuurd naar andere opleidingen op Java (Bandung) en in Wamena. De afgevaardigden van Papua leggen uit dat hun besluit uit pure noodzaak is genomen: omdat jaren geleden de opleiding in Boma is gestopt, is er al jaren geen nieuwe instroom van jonge predikanten op Papua, en als daar nu niet meteen wat aan gedaan wordt, zitten ze binnen afzienbare tijd helemaal zonder, omdat de huidige predikanten dan met pensioen zijn gegaan! De synode heeft daar wel begrip voor, maar benadrukt dat nieuwe studenten vanaf nu naar Waingapu moeten worden gestuurd. Aldus wordt besloten.
Tal van andere onderwerpen komen aan de orde. Belangrijke, zoals de kerkelijke structuur van de GGRI, de kerkorde, het lidmaatschap van de ICRC, een eventueel lidmaatschap van de PGI (de Raad van Kerken in Indonesië). Maar ook in onze ogen misschien wat minder belangrijke, zoals de verjaardag en het logo van de GGRI. Ook wordt er gesproken over een aantal concrete problemen uit de praktijk van de kerken: wat te doen als iemand na scheiding hertrouwt, mag een vrouw een kerkdienst leiden als er verder niemand aanwezig is, mogen behalve de predikant ook leden van de kerkeraad of de gemeente een actief aandeel hebben in de liturgie, is het wijs om tegenover de heidense gewoonte om voordat de padi (rijst) geplant wordt het zaaigoed te zegenen een soort speciale biddag te organiseren.
Opvallend is de nadruk waarmee de verschillende afgevaardigden uit elk van de drie regio’s hun waardering uitspreken over het werk dat nu al zoveel jaren door LITINDO voor de GGRI wordt gedaan. De boodschap is eenduidig, unaniem, en helder, en het staat geformuleerd in de acta: LITINDO is niet maar een partner van de GGRI, nee, de relatie gaat veel dieper: LITINDO heeft een plaats in het hart van de GGRI! Heel bijzonder is ook de betrokkenheid bij de ziekte van Gerrit Riemer en de gebeden doe voor hem worden opgezonden.
Na elke bespreking krijgen de buitenlandse afgevaardigden gelegenheid om eventueel nog iets over het onderwerp te zeggen, voordat er een besluit genomen wordt. Er heerst een sfeer van openheid en onderling vertrouwen die weldadig aandoet. En bovenal een sfeer van dankbaarheid, en een sterk bewustzijn dat ze hier met elkaar historische dagen schrijven in de geschiedenis van hun kerken! Heel bijzonder om dat mee te maken. Ook voor Karin, die samen met mij door BBK is afgevaardigd om deze synode bij te wonen: haar vader (ds. Van der Velden) behoorde tot de eerste generatie zendelingen die in het gebied van de GGRI op Papua het Evangelie mocht brengen. Vanmorgen brengt ze na de dienst in de gemeente van Waena de groeten over van haar moeder. Om stil van te worden!
Het is een mooie dienst, geleid door pendeta Madah Biha van Kupang. Na al de toespraken die er op volgen worden er heel wat handen geschud. Ik ontmoet drie kinderen van Seli, onze vroegere huishulp; ze studeren hier aan de universiteit. En tot mijn verrassing ook drie studenten uit Yaniruma en Wanggemalo: Lukas – een zoon van Natan, Manase – zoon van Banyo uit Yaniruma, en Boaz – afkomstig uit Mangge! Ook kinderen van Moesieri, en van Womsiwor, bekende namen van vroeger. Pijnlijker is de ontmoeting met Buta Yaluwo, eens een gewaardeerd predikant in Yaniruma, die gemeend heeft zich te moeten aansluiten bij de groep die zich opwerpt als de ‘echte’ Gereja Reformasi, en apart is gaan kerken; hij woont achter de kerk en komt net terug van hun eigen dienst…
Al met al een indrukwekkende week. De broeders zo zelfstandig en zelfbewust bezig te zien. Die discussies, telkens even onderbroken als er weer een vliegtuig laag overkomt – we zitten precies in de approach van het vliegveld. De stuk of zes airco’s waarvan er maar één een beetje functioneert – als de elektriciteit het tenminste niet laat afweten. De blijdschap en dankbaarheid, die niet alleen herhaaldelijk wordt uitgesproken, maar die je gewoon de hele week voelt hangen in de vergaderzaal. De hartelijke belangstelling voor je vrouw en kinderen – die ze in de meeste gevallen nog nooit gezien hebben. Tussendoor hebben we samen met rev. Van Delden uit Australië ook nog een plezierige en verhelderende ontmoeting met de BPS van de GGRI op Papua. Dat is het uitvoerend orgaan van de synode van de GGRI op Papua, die tussen de synode’s de kerk hier vertegenwoordigt.
En dan nog eens de persoonlijke gesprekken met zoveel mensen. Zoals met onze vroegere collega hier op Papua, Henry Versteeg, nu werkzaam in Port Moresby, die op de synode de kerken van Canada vertegenwoordigt.
Ook best wel vermoeiend, en ik ben elke keer weer blij als ik me ’s avonds laat achterop een ojek (motortaxi) naar mijn verblijf bij de MAF laat rijden. Een verfrissende rit: de wind waait je om de oren (nee, inderdaad geen helm), de geuren van afvalverbranding langs de weg, uitlaatgassen van het drukke verkeer, het aroma van de satébarbecues van de stalletjes langs de weg… Genieten!
Een hartelijke groet vanuit Sentani,
A Dieu!
Jaap
zondag 19 februari 2012
Alle volken moeten zich eenmaal voor Jezus buigen, en wij zullen samen met de engelen in de hemel ons loflied aanheffen: “Yesus, Yesus, Tuhan Kudus, dipuji kekal nama-Mu, Penebus!” (Jezus, heilige Heer en Verlosser, Uw naam zij eeuwig geprezen!”. Rohani 144, de Indonesische bewerking van “Daar ruist langs de wolken…”
Vanmorgen mag ik preken in de dienst van onze zusterkerken in Waena, een half uurtje rijden hier vandaan, halverwege Sentani en Jayapura. De kerk zit goed vol, ook veel jeugd. Ze vertellen me dat er momenteel wel zo’n 100 jongelui uit het binnenland hier op school zitten of studeren. Dat is fijn, maar het is nog veel mooier als ze dan ook naar de kerk komen. Ik schud verschillende een hand: uit Manggelum, uit Kawagit, uit Kouh. De meesten schijnen uit het stroomgebied van de Digul te komen.
Ouderling van dienst is Rumbewas; hij gaat me voor en overhandigt me de Bijbel. Daaruit lezen we vanmorgen Kolossenzen 1. Aan het slot van de brief vraagt Paulus deze brief ook door te sturen naar de gemeente van Laodicea. Kennelijk is de inhoud ook voor anderen van belang. En ook voor ons, en ik vraag de mensen om zó te lezen en te luisteren, alsof de brief rechtstreeks aan ons was geschreven. Dan blijkt de inhoud opeens hyperactueel! Ons christen-zijn wordt zo gemakkelijk gewoon, we weten het allemaal zo langzamerhand wel, en horen zelden nog iets nieuws, bidden regelmatig om vergeving, en om hulp en kracht bij ziekte en dood, en dat is het dan wel zo’n beetje. In plaats van dat we ons laten optillen en leven op het niveau van het Koninkrijk van de Zoon, waarin we zijn overgebracht! Wie zich dan laat meeslepen door sukuisme of nationalisme (Holland voor de Hollanders, Papua voor de Papua’s), heeft nog niet begrepen wat het betekent dat we onder Koning Jezus leven, Hollanders en Papua’s en Indonesiërs tezamen. En dat er geen macht ter wereld is waartegen Christus ons niet zou kunnen beschermen. Weg dus met alle toverij en taboes en horoscopen, en vertrouwen op de kracht van het gebed. Want wie bidt, doet een beroep op de kracht van Hem die alle macht heeft, in de hemel, op aarde, over wat we met onze ogen zien en over wat we niet kunnen waarnemen. Waarom zou je dan nog naar iets anders op zoek gaan? Ons leven is veilig bij Hem!
Donderdag ben ik hier in Sentani aangekomen. Volgende week zal hier de eerste nationale synode van onze zusterkerken gehouden worden. Afgevaardigden uit het binnenland van Papua, uit Sumba en Kupang, en uit Kalimantan Barat zullen hier de komende dagen bijeenkomen. Ook buitenlandse kerken zullen vertegenwoordigd zijn: behalve Nederland ook Australië en Papua New Guinea. Als het tenminste allemaal doorgaat, want de noodzakelijke vergunning van de politie is nog steeds niet afgegeven. Vanmorgen in de kerk leggen we dat aan de Here voor – Hij heeft immers alle macht!
Heb hier ondertussen al weer heel wat mensen ontmoet en gesproken. Ndiken, lang geleden evangelist in Uni in de Kombai, nu voorzitter van het organiserend comité van de synode. Pendeta Yan Korop, in ‘onze’ tijd predikant in Tiau, nu voorzitter van de BPS, zeg maar het uitvoerend orgaan dat de GGRI tussen de synoden vertegenwoordigd; in een andere kerkrechtelijke structuur zou je hem de voorzitter van de kerk noemen. Hij woont in het huis vroeger de familie Köhler woonde, op het terrein van de TRIS, de al lang niet meer bestaande Nederlandse school, waar drie van onze kinderen ook een aantal jaren op hebben gezeten. Het terrein biedt een treurige aanblik. De garage en het schooltje staan nog overeind, maar van het vroegere internaat is niets meer over, dat is één grote ruïne. Met veel moeite kun je nog zien waar de slaapkamers van de jongens waren, en de woonkamer, en de veranda. Het werk van groepen dronken Dani’s, de plaag hier op Pos-7 (zoals deze heuvel tegen de helling van de Cycloop heet). Vroeger was het hier rustig en veilig, maar de mensen wonen hier nu al lang achter hoge hekken.
Ik ga even aan bij Peter Jan en Maaike de Vries. Die zijn intussen hier naartoe verhuisd uit Sinimburu in de Korowai, vanwege de leeftijd van hun kinderen. Ze wonen vlak naast het zwembad. Terwijl we binnen zitten te praten, ziet een groep dronken Dani’s kans om binnen de omheining van het zwembad te komen, en een duik in het water te nemen. Daar blijft het niet bij, ze beginnen met stenen te smijten en vernielingen aan te richten. De gealarmeerde politie laat op zich wachten. Pas na herhaald bellen komt er eindelijk één agent op een motor aanrijden, maar die kan natuurlijk in zijn eentje niet veel uitrichten, en gaat weer weg. Toch zijn de herrieschoppers dan even later verdwenen. We nemen de schade op; de douche is losgerukt, het water spuit uit de afgebroken leiding. Peter Jan sluit de hoofdkraan af. Het is niet de eerste keer.
Volgens Peter Jan is de politie gewoon bang om hier te komen. Bang, dat de Dani´s zich dan massaal tegen hen zullen keren. Dani´s, dat zijn de mensen uit de Baliemvallei; er wonen er hier heel wat.
Wie ik hier niet tref is Sung Kyu en zijn vrouw Ji Sook, het Koreaanse echtpaar dat voor Wycliffe taalwerk doet in de Kombai. Ze zijn net afgelopen maandag vertrokken naar Wanggemalo, en komen pas de 27e weer terug, de dag dat ik van plan ben naar Wamena door te reizen. Nog maar eens zien, want ik ben natuurlijk wel erg benieuwd naar het laatste nieuws uit onze vroegere woonplaats!
Zaterdag krijg ik onverwacht telefoon van Emira, het vroegere vriendinnetje van onze Nieke. Ze belt vanuit Asiki, een plaats in de buurt van Merauke, helemaal aan de zuidkust van Papua. Daar woont ze nu samen met haar man en dochtertje van drie. Ze had mijn nummer gekregen van Roy, een Brabantse toerist die al jaren helemaal in de ban is van Papua. Het is de eerste keer sinds ons vertrek in 1994 dat ik contact met haar heb. Ze heeft wel verschillende keren geschreven naar Nieke, maar de taalbarrière was intussen te groot geworden voor de beide vriendinnen om te kunnen communiceren. Ze wil van alles weten: hoe het is met Nieke, en met de anderen. Zij vertelt over haar ouders, bapak Epius (die in Wanggemalo werkte) en ibu Kori (die jarenlang onze huishulp was). Op het laatst worden de emoties Emira te veel, en begint ze te huilen: ze had zo vaak gedacht, waarom belt Nieke niet, en waarom schrijft ze me niet… Ik probeer haar te troosten: we zijn haar heus niet vergeten, haar foto hangt nog altijd bij Nieke aan de muur, en de herinneringen aan vroeger staan gegrift in ons hart!
De herinneringen komen wel naar boven, hier in Sentani. Niet alleen door zo’n telefoontje, maar eigenlijk bij alles wat je ziet, overal loop je tegen het verleden aan. Zoals de weg naar kerk vanmorgen: vroeger smal en bochtig en vol kuilen; nu het hele eerste stuk langs het Sentanimeer vierbaans met een middenberm! Sentani wordt de hoofdstad van de provincie, in plaats van Jayapura, vertelt iemand.
Overal langs die weg zie je mensen zich klaar maken om naar kerk te gaan. Hele gezinnen staan te wachten op een taxi, kinderen op hun paasbest uitgedost, met een bijbeltje in de hand. Burgers van het Koninkrijk! Segala benua… (Rohani 144).
Een goede zondag!
A Dieu,
Jaap
zondag 12 februari 2012
Jakarta, 12 februari 2012
Wie de vorige keer, in 2010, heeft meegelezen, weet het misschien nog wel: de onmogelijk opdracht van Dineke om een paar wielen voor handnaaimachines te kopen, om de trapnaaimachines in Wanggemalo om te bouwen tot handbediende apparaten. Tot mijn grote verbazing wisten ze die in no time zonder mankeren uit de onoverzichtelijke winkelvoorraad tevoorschijn te halen. Nu ben ik even teruggegaan, omdat ik bij dat eerste bezoek geen fototoestel bij me had. De eigenaar begroet me vriendelijk; ik vertel hem de reden van mijn bezoek. Hij heeft er geen enkele moeite mee, integendeel, hij wil graag zelf ook even poseren. Intussen weet heel de klandizie wat die Belanda hier komt doen.
Donderdag ben ik hier in Jakarta aangekomen. De KLM had op het laatst twee passagiers de toegang tot het toestel moeten weigeren wegens overmatig drankgebruik. Dat was vermoedelijk de reden dat de stoel naast mij leeg bleef. Meer ruimte om te slapen! Heb dan ook een flinke ruk gemaakt, ongeveer van de Zwarte Zee tot boven de Golf van Bengalen.
Vrijdag meteen maar van start gegaan met mijn bezoeken. Dat werd een trip van 8 uur door Jakarta, van het ene adres naar het andere, en het verkeer werkte gelukkig aardig mee. Bij de uitgever BPK hoorde ik dat mijn boek nu bij de drukker ligt, en dat er een kleine kans was dat ik de eerste exemplaren woensdag zou kunnen krijgen. Voor mij reden om mijn vertrek uit te stellen van dinsdag naar donderdag. En nu maar hopen dat het lukt. Voor wie het niet meer weet: het gaat om het handboek over belijdenisgeschriften, waar ik de afgelopen jaren aan gewerkt heb. De tekst was in 2008 al aangeleverd, maar voordat alles gecorrigeerd en nagekeken is en voorzien van de nodige registers, ben je dus wel drie jaar verder!
Bij een andere uitgever, YKBK, heb ik de Indonesische vertaling van de dissertatie van ds. Jan Boersema aangeleverd, en het (Nederlandse) boekje van ds. Rob Visser over Hooglied, waar LITINDO ook mee bezig gaat.
Bij de bibliotheek van de oudste theologische opleiding in Indonesië, voer ik namens OLINDO (het samenwerkingsplatform van GZB, CGK, NGK, GerGem, Oikonomos en Litindo) een verkennend gesprek over biblionics: een project om theologische bronnen voor een bepaalde taal te digitaliseren en via internet beschikbaar te maken. Een uitgezondene van de GZB heeft in Thailand dat programma ontwikkeld en opgezet, en vroeg ons enige tijd geleden of dat misschien ook niet iets is voor Indonesië. Dat kan uiteraard niet zonder overleg en samenwerking met bibliotheken en uitgevers in Indonesië!
Bij de verschillende boekenwinkels koop ik een paar stapeltjes van de meest recente uitgaven van LITINDO; dat waren er in 2011 maar liefst 4 (en straks met die van mij erbij 5). Dat wordt straks naar Papua wel overwicht betalen, maar zonder die boeken mee te nemen kan ik daar ze natuurlijk niet presenteren.
Nu ik de vlucht naar Papua heb uitgesteld, heb ik hier wat meer tijd in Jakarta. Hoef ik de volgende dagen niet zo’n druk agenda af te werken als vrijdag! Moet nog verschillende mensen bezoeken, en daar kan ik dan ook wat meer de tijd voor nemen. Zo was ik gistermiddag en -avond bij Yusup en Warni; hij studeerde in Kampen). Goed om elkaar bij te praten. Goed ook om dat op een zaterdag te doen: het is maar zo’n 35 km, en ik deed het met de taxi over de tolweg in ruim een uur, maar door de week moet je daar al gauw het dubbele voor rekenen!
Vandaag was ik te gast bij Justin en Corrinne Koens. Corrinne is een dochter van rev. Henry Versteeg uit Canada, die destijds ongeveer tegelijk met ons op Papua begon. Corrinne haar gezin is nu al groter dan dat van Henry toen! Ze werken voor de MAF. Eén van de vele missionary kids die hier in de voetsporen van hun ouders treden.
Vanmorgen de dienst bijgewoond van de Jakarta International Christian Fellowship. Ging over vertrouwen. Geen zelfvertrouwen, maar vertrouwen op Christus. Niet wij kunnen het wel aan, maar Christus haalt ons er doorheen. Het is immers ook niet ons geloof, maar het geloof dat Christus ons geeft. En dat biedt hoop!
So I lift my eyes to You, Lord
In Your strength will I break through, Lord
Touch me now, let Your love fell down on me
I know Your love dispels all my fears
Through the storm I will hold on, Lord
And by faith I will walk on, Lord
Then I’ll see, beyond my calvary one day
And I will be complete in You
In dat vertrouwen kunnen we deze week weer rustig aan het werk. A Dieu!
Jaap
woensdag 13 oktober 2010
Jakarta, 12 oktober 2010
Elke maandag reist hij met de bus van Piju naar Seluas. Daar wordt hij dan opgewacht door één van de leerlingen. Die zitten daar op de SMP (zeg maar: Mavo), acht afkomstig uit de GGRI, en nog een stuk of tien uit andere kerken. Er zit ook een islamitische jongen in dat internaat, die wil niet meedoen, maar hij loopt er ook niet bij weg als hij dan die avond met ze gaat zingen, en uit de Bijbel gaat vertellen. Uiteraard helemaal uit zijn hoofd, want hij is immers volslagen blind. Nu wil hij graag weten wat ik ervan vind: is dit een goed initiatief? Want hij hecht waarde aan het oordeel van de mensen door wie hij God heeft leren kennen: zoals pendeta Alserda, en de mensen van Litindo."Nee, begrijp me niet verkeerd: ik wil die blanken echt niet verheerlijken, maar zonder hen had ik het Evangelie niet gehoord, en dat is oneindig veel kostbaarder dan geld of goud, want dat gaat over het eeuwige leven! En daarom kom ik ook niet om geld vragen; saya hanya minta dukungan: ik wil alleen maar graag van u horen of ik hier goed aan doe."
We praten een tijdje door over dit prachtige initiatief. Wat een contrast met die jonge predikant, die niet in de pastorie van zijn gemeente wil komen wonen omdat hij te weinig verdient en omdat hij het huis te klein vindt! De kerkeraad van Piju staat er ook achter, en soms gaat er ook iemand met hem mee. Daar leert hij dan ook weer van, vertelt Injot: "Ik ga ze niet alleen maar iets leren, ik steek er zelf ook veel van op!" Als hij vertelt dat ze daar in dat internaat maar één psalmboek hebben, geef ik hem drie nieuwe buku mazmur mee. Rivhan vraagt of ik voor Injot zelf geen bijbel op cassette of CD heb, waar hij naar zou kunnen luisteren. Nee, die heb ik niet, maar daar ga ik beslist naar zoeken als ik in Jakarta ben!
Even later gaan ze weer weg, Injot zorgzaam aan de hand geleid door Rivhan. Bernlef onder de Dayak...
Injot is inderdaad een trouwe bezoeker van onze seminars, en ook deze keer is hij weer present op het seminar voor predikanten en ouderlingen van de GGRI. Ook hier hebben we het weer over de triniteitsleer. Het materiaal is twee maand geleden al onder de predikanten verspreid, maar daar is helaas maar weinig van te merken. De felheid van de discussie vorig jaar in Waingapu is hier in elk geval totaal afwezig; misschien heb ik het nu dan toch beter en meer evenwichtig verwoord? In de discussie gaat het over m.i. wat minder relevante vragen. Pdt Amien vraagt naar de vertaling van de namen van God: in het NT, in het Indonesisch, in de westerse talen; maar ook of nyabata (naam van een god van de Dayak) acceptabel is. Er worden vragen gesteld naar de opvatting van de Yehova-getuigen. Pendeta Klemen, docent aan de theologische opleiding hier in Sentagi, mist in mijn verhaal een weerlegging van de dwaling van de antinomianen (ja ja!). Dat laatste houdt kennelijk verband met zijn eigen onderwerp: hij houdt een verhaal over persembahan; daarin benadert hij het geven in de kerk (collecte, vrijwillige gaven) vooral vanuit de offer-cultus van het OT. Tal van teksten passeren de revue. Hij benadrukt dat de gaven met vreugde gegeven moeten kunnen worden. In de discussie heeft natuurlijk iedereen wat te zeggen, want het geven in de gemeenten laat nog veel te wensen over. Maar uiteindelijk steken ze toch de hand in eigen boezem: als je als predikant, evangelist of ouderling zelf niet het goede voorbeeld geeft, kun je van de gemeenten ook niet veel verwachten!
Het derde onderwerp van deze seminar is de positie van man en vrouw in de kerk. Dat is op de agenda gekomen naar aanleiding van wat ik vorig jaar hier op de synode heb verteld over de discussie daarover bij ons in Nederland. Ik mocht het onderwerp inleiden, en heb dat gedaan aan de hand van het discussiestuk dat onze eigen deputaten in Nederland hebben opgesteld. Er volgt een levendige discussie op; ook hier heeft iedereen wel wat over te zeggen. Helaas vliegen ze wel meteen op de bekende teksten af, zonder zich eerst eens te bezinnen op hoe we die teksten moeten benaderen, en of het verschil in situatie toen en nu misschien ook van belang is. De Bijbel spreekt toch duidelijke taal, die een lerende en regerende functie van de vrouw in de kerk uitsluit. Debora wordt erbij gehaald (OT), en Hanna (NT), maar nee, dat zijn uitzonderingen. Het is volgens hen uitgesloten dat een vrouw de zegen op zou leggen; Israel had toch ook geen priesteressen? En onder de apostelen zoek je ook tevergeefs een vrouw! Iemand is zo scherp om op te merken dat hierin misschien de patriarchale cultuur van destijds een rol speelt; maar daar wordt verder door niemand op ingegaan. Ook niet op de vraag waarom we het dit voorschrift van Paulus vandaag nog wel zouden moeten volgen, terwijl we een regel als dat vrouwen met bedekt hoofd moeten bidden zonder problemen als gedateerd beschouwen. Ik probeer nog eens om een andere benadering van de teksten bespreekbaar te maken, maar pdt Lasen en pdt Dain verwoorden de vrijwel unanieme mening op zó nadrukkelijk manier, dat ik me haast zelf veroordeeld voel, terwijl ik me toch nadrukkelijk onthouden heb van het geven van een eigen mening. Maar kennelijk is de vroeger algemeen aanvaarde mening er hier zo goed ingeprent, dat elke opening andere opvatting bij voorbaat verdacht is. Daarnaast zal ook een rol spelen dat praten over hermeneutiek natuurlijk veel abstracter is, dan praten over concrete teksten; en abstraheren is in voor de mensen hier altijd al erg lastig.
De week op Kalimantan is zomaar voorbij. Ik geef nog een paar dagen les aan de studenten van de theologische opleiding. Het zijn allemaal eerstejaars, en dat kun je merken: ze hebben nog niet zoveel ondergrond, en je kunt veel minder bekend veronderstellen dan wanneer je publiek hebt dat al een paar jaar theologie achter de kiezen heeft. Ook zijn ze niet allemaal even gemotiveerd, heb ik de indruk, maar ook dat is niet ongebruikelijk in het eerste jaar: dan moet nog blijken wie hier echt op zijn plek zit, en wie er gaan afhaken.
Ook woon ik nog een zgn Bijbellezing bij, die elke week op een avond ergens bij iemand thuis wordt gehouden, en waar altijd opvallend veel jeugd aanwezig is. Hier in Sentagi staan ook het internaat van de middelbare school, dus zo heel vreemd is dat niet.
Inmiddels ben ik terug in Jakarta. Zondagmiddag een ontmoeting met Yusup en Warni.
Yusup heeft voor zichzelf de conclusie getrokken, en afscheid genomen van SETIA. Ook de meeste sponsors hebben volgens hem hun steun inmiddels stopgezet. Yusup werkt nu samen met anderen die SETIA hebben verlaten aan het opzetten van een nieuwe stichting; dat moet niet de zoveelste theologische opleiding worden, maar een soort instituut dat diensten aanbiedt aan de kerken in Indonesia. Hij acht de kans groot dat (Indonesische) sponsors die tot voor kort SETIA hielpen, straks hun geld aan dit nieuwe project zullen gaan geven.
Overigens is het niet gezegd dat Yusup bij die stichting zal blijven werken; hij heeft ook een aantrekkelijk aanbod gekregen van Kartidaya, de stichting die het werk van Wycliffe Bibletranslators in Indonesia behartigt. Momenteel ontvangt hij steun vanuit de Jakarta International Christian Fellowship (waar hij en wij ook geregeld kerken). Helaas kan hij er voor de doop van hun jongste kindje niet terecht, want ze kennen daar geen kinderdoop...
Deze laatste dagen van mijn reis doorkruis ik weer zoals gebruikelijk de stad Jakarta. Ik heb de afgelopen maanden her en der nieuwe contacten gelegd, en oude verstevigd. Nu sjouw ik de boekwinkels af om al de toegezegde boeken te kopen en te laten versturen naar de verschillende regio's: een set boeken naar Taklemarto, de nieuwe Litindo-agent in Mamasa; ook een set naar Kabanga in Rantepao, voor de bibliotheek van de STAKN (de grote staatsopleiding theologie in die plaats), boeken voor SungKyo op Papua, en nog meer.
Ook speur ik de winkels af naar een audio-uitgave van de Indonesische Bijbel, om aan Injot op Kalimantan te sturen. 'Toevallig' ontmoet ik bij één van de uitgevers een dame, Eva Kristiaman, die ook contacten heeft in de kringen van Wycliffe en Gospel Recordings. Ze is een Indonesische, maar opgegroeid in Australia en met ook Nederlands bloed in de aderen. Ik vertel haar van mijn zoektocht, en ze weet mij allerlei waardevolle informatie te geven. En de volgende morgen komt er al een email van haar, met gegevens die ze voor mij in Australia heeft ingewonnen! Inmiddels heb ik dan op een door haar genoemde website al het één en ander gedownload en op een CD gebrand. Een ingesproken letterlijke tekst van de Indonesische Bijbelvertaling blijkt er niet te zijn, maar wel een serie geparafraseerde Bijbelverhalen. Daar zal Injot misschien ook wel wat aan hebben. Zo dadelijk nog even op de post doen.
Ja, en dan wordt het tijd om de koffers te pakken! Om een uur of 11 zit ik nog even buiten te genieten van de zwoele avond in een wat melancholieke stemming. Na 76 dagen zit het er bijna op. Ben je daar nooit eenzaam?, vroeg iemand me vanuit Nederland. Ja, natuurlijk heb je best wel eens van die momenten, maar eenzaam, dat voel je je gek genoeg vooral als je net weer terug bent in Wezep. Die eerste week, of weken. Dat komt denk ik omdat je je ervaringen maar met zo weinig mensen echt kunt delen. Het is ook haast niet over te brengen. En veel mensen vinden het wel leuk om je verhalen te horen, maar gaan vervolgens natuurlijk weer gewoon verder. Maar jij zelf zit nog wel boordevol van de reis, helemaal in beslag genomen door alles wat je beleefd hebt. En dat moet je grotendeels alleen verwerken. Wat je op al die plaatsen tegen bent gekomen; de mensen die je hebt ontmoet, oude en nieuwe vrienden, zo hartverwarmend vaak; de problemen waar je tegenaan gelopen bent; hoe weinig je eigenlijk maar hebt kunnen doen. Hier werk je voor, hier leef je voor! En het is elke keer weer lastig om dat los te laten, ook al zie je er nog zo naar uit om Dineke en de kinderen en kleinkinderen weer te zien!
Afgelopen zondag genoten we van een puur gereformeerde preek bij JICF. Het ging over het wonder van Gods genade. Terugkijkend op mijn reis, wil ik deze serie brieven besluiten met een paar regels uit een lied dat we zongen aan het eind van die dienst:
Every soul we long to reach
Every heart we hope to teach
Everywhere we share His peace
Is only by His grace!
Every loving word we say
Every tear we wipe away
Every sorrow turned to praise
Is only by His grace!
woensdag 6 oktober 2010
Talan, Kalimantan-Barst
We zijn in Tadan, een zendingspost van de GGRI op Kalimantan. Vanmorgen heb ik hier gepreekt over de geschiedenis van de zeven zonen van Skevas (Hand. 19), en als we daarna door het dorp wandelen vertelt Andreas Bantan dit verhaal, bescheiden, eenvoudig, en zonder enige opsmuk. Ik moet denken aan wat er staat in Markus 16, "De Heer zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen".
We zijn hier bij een frontlijn, waar de boze geesten hun best doen zich te handhaven. Midden in het dorp staat een oud adathuis. Daarin worden de gesnelde koppen bewaard. Van vroeger, want tegenwoordig gebeurt dat natuurlijk niet meer. Alhoewel, bij die zo zorgvuldig in stand gehouden verzameling zitten er ook van Madurezen, een kopje kleiner gemaakt toen de Dayak hen hier eind jaren 90 verdreven. Het oude leven zit nog dicht onder de oppervlakte.
Ook daarover vertelt Andreas. Er is hier nog zoveel onbegrip. Haast iedereen, de kandidaat-ouderlingen inbegrepen, houdt hier nog vast aan de oude adat. En bij de jaarlijkse ceremoniele plechtigheid bij dat adathuis van deze vroegere koppensnellers, nemen ook de gemeenteleden een actief aandeel. Wilt u daar in uw preek niet iets over zeggen? Daarom die preek over die zonen van Skevas, die de naam van Jezus proberen in te passen in hun eigen magische praktijken. Met desastreuze gevolgen! En dan zit de schrik er in één keer goed in bij die jonge gemeente, en begrijpen ze opeens dat er een radicale keuze van hen wordt gevraagd! Laten we bidden dat dat besef hier ook gaat doorbreken.
Tadan ligt dicht bij de grens met Serawak, het Maleisische deel van dit eiland. Vanaf Piju - ongeveer twee uur met de bus vanaf Sentagi, en dan nog een kwartiertje op de brommer - ben ik komen lopen. De weg gaat over behoorlijk stevige heuvels, en met de zon brandend bijna recht boven je hoofd wil het zweet er dan wel uitkomen! Op Papua loop je eigenlijk steeds onder het dichte bladerdak van het bos, maar hier is alles open en zoek je vergeefs nog een stukje van de oude hutan: daarvoor moet je nog een heel eind verder, de bergen in. We komen wel door een paar stukken bos, maar dat is nieuw bos, hoogstens 15-20 jaar oud, opgeschoten op vroegere ladangs, de akkertjes op de heuvels waar ze hier hun rijst verbouwen. Sawa's zie je hier vrijwel niet.
Onderweg krijgen we nog een stevige onweersbui over ons heen; maakt me niet veel uit, ik ben toch al doorweekt van het transpireren. Dicht bij Tadan ligt er op het boomstammen-pad door één van de moerassen waar we doorheen komen, een groen-gele slang te zonnen. Libertus, de student die op deze tocht mijn gids is, reageert snel, pakt mijn stok, en slaat het reptiel net zo lang op de kop tot hij niet meer beweegt. Het is volgens hem een giftige slang. Meenemen om op te eten?, suggereer ik. Maar kennelijk heeft hij daar geen zin in: als hij er zeker van is dat het beest echt dood is, gooit hij hem weg, een eind van het pad af.
De dorpen liggen hier een stuk dichter bij elkaar dan op Papua. Ik loop totaal nog geen 4 uur, maar kom onderweg langs Piju-lama en Kerumbi. In beide dorpen staat een kerkje; die in Piju-lama heb ik bij een vorig bezoek zelf mogen openen. Al die kerkgebouwtjes lijken trouwens wel volgens dezelfde tekening gebouwd te zijn.
In Kerumbi zit ik een hele tijd te praten met Keruhi, één van de vroegere ouderlingen, die bij de start van het zendingswerk hier betrokken is geweest. Hij probeert me over te halen hier te blijven overnachten: Tadan is echt niet ver, dat kun je morgenvroeg nog makkelijk doen voor de dienst daar begint. Ja, dat zal wel, maar ik heb nu eenmaal een afspraak met Andreas Bantan!
Zondagmiddag vertrekken we weer uit Tadan. Deze keer gaan we met een motor air (planken prauw met buitenboordmotor) over de rivier naar het stadje Seluas. Een stel jongelui gaat mee: die zitten in Seluas op de SMA (middelbare onderwijs), en moeten morgen weer naar school. Halverwege leggen we aan bij de tuin van één van hun ouders; even later komen ze terug met een paar manden vol groenten, eten voor de komende week. En verder gaat het weer, bocht na bocht. Zo langs de rivier lijkt het hier nog het meeste op Papua. Tot we na de laatste bocht de ijzeren brug van Seluas zien liggen.
Als ik de volgende dag met een paar predikanten hier napraat over deze tocht, zegt pendeta Amien dat ik de volgende keer maar eens naar Suti Semarang moet gaan, een zendingspost hier verderop, nog een heel eind voorbij Sebalo waar ik vroeger al eens geweest ben. Goed, dat houden we dan in gedachten voor een volgende keer. Misschien dat daar nog wat maagdelijk oerwoud te vinden is.
Maar het is duidelijk dat de Dayak hier niet meer de bosmensen zijn die hun voorouders vroeger waren. Ze verplaatsen zich in auto's en bussen en op brommers, en hebben in de meeste gevallen nog nooit een stukje echt oerwoud gezien! Ze staan inmiddels midden in de wereld. Zelfs het verschil met 10 of 15 jaar geleden, toen ik hier voor het eerst kwam, is voor mij al erg groot. Daarom wordt het ook tijd om ons eens te gaan bezinnen op de kleding van de predikant, vindt pendeta Lasen. In de andere kerkgenootschappen is het ondenkbaar dat predikanten in overhemd of batikshirt de preekstoel opgaan, en dragen ze allemaal minstens een jasje en een stropdas. Moeten we ons dan niet aanpassen bij wat in het algemeen behoorlijk wordt geacht? In elk geval hier in de gemeenten rond de stad Bengkayang!
Tja, ik denk wel dat hij een punt heeft. In Wanggemalo kleed ik me ook anders als ik moet preken, dan hier op Kalimantan. Natuurlijk is het waar, zoals de oude ds. D. van Dijk het vroeger eens formuleerde: we hebben geen leer-, maar wel kleer-vrijheid. Maar dat wil nog niet zeggen dat je dus wel in je alledaagse kloffie de preekstoel op kan!
De Dayak van vandaag staan midden in de wereld. Dat wordt me nog eens goed duidelijk op de terugweg van Seluas naar Sentagi. De bus vertrekt keurig op schema, zo rond 3 uur. Maar dan rijden we eerst nog naar een opslagplaatsje, ergens aan een zijweg van dit grensstadje. Vervolgens halen ze tot mijn verbazing alle leuningen en zittingen van de banken uit de bus. De bedoeling wordt al snel duidelijk: in rap tempo wordt de ene na de andere 50-kilo zak suiker vakkundig onder de banken weg gestouwd. Maleisische suiker wel te verstaan, clandestien over de grens gehaald, en nu net zo clandestien vervoerd naar de grote stad Singkawang om daar met een stevige winst verkocht te worden. Suiker in Maleisie is wel minder van kwaliteit dan de Indonesische suiker, maar stukken goedkoper.
Als er zo 6o zakken provisorisch verstopt zijn, en aan het oog onttrokken door een paar zeilen, gaan de zittingen er weer in. Zo van buiten af is er niets meer van te zien, en lijkt het alsof deze bus gewoon passagiers vervoert. Want die kunnen er ondanks die 3000 kilo vracht natuurlijk nog best bij, in de bus, en niet te vergeten bovenop de bus. Een lucratief handeltje, waar behalve deze smokkelaars van Kalimantan ook heel wat anderen mee van profiteren. Halverwege stoppen we bij een controlepost van de politie, en wordt er snel even iets betaald. Dicht bij Bengkayang komt een motoragent ons achterop om ook zijn beloning in ontvangst te nemen om een oogje dicht te doen. Ja, de Dayak hebben de overgang van hun eigen jungle naar die van de hedendaagse Indonesische samenleving inderdaad uitstekend gemaakt!
Zo rijd ik met onder mijn voeten een paar zakken smokkelwaar terug van een zondag uit preken. Ik zit voorin. De chauffeur naast me blijkt ook een christen te zijn, lid van de GPIB (de Protestantse Kerk van West Indonesie). Hij informeert belangstellend wat ik hier op Kalimantan doe. Lesgeven, een seminar? En boeken schrijven? Prachtig! Ja hij kent bapak Jonkman wel. Maar kennelijk heeft hij geen problemen met zijn vrachtje.
Het is al helemaal donker als we bij Bengkayang komen. Ook niet toevallig natuurlijk, met deze lading: dan wil je niet te veel opvallen. Door het duister lopen Libertus en ik de laatste kilometer van de nieuwe brede weg naar Sentagi. Het lijkt wel symbolisch... Overal is de frontlijn. En de moderne boze geest is misschien nog wel moeilijker uit te drijven dan de oude!
maandag 27 september 2010
Rantepao, 26 september 2010
Vol interesse bekijkt Dr. Kabanga de boeken die ik bij me heb. Hij had er meteen naar gevraagd, toen we elkaar gisteren ontmoetten: "Zijn er nog nieuwe boeken van LITINDO?" Het is een hele tijd geleden dat ik hier ben geweest, dus er zitten verschillende titels tussen die hij nog niet heeft. Die legt hij apart, en dat wordt een aardig stapeltje. "Moet ik daar iets voor betalen?" Nee, natuurlijk niet! Veel te mooi dat deze docent zoveel belangstelling heeft voor onze boeken. Als ik vertel dat we nog op zoek zijn naar iemand die Litindo hier in Rantepao wil vertegenwoordigen, biedt hij zichzelf meteen aan: hij wil deze boeken graag introduceren bij de studenten op de 3 theologische opleidingen waar hij les geeft!
Het contact met dr. Kabanga verloopt erg plezierig, net als trouwens bij eerdere bezoeken. Hij is er nog één van het oude stempel. Als hij hoort waarover ik in Mamasa les heb gegeven, wordt hij zelfs enthousiast: hij is zelf onlangs gepromoveerd op een onderwerp dat dicht aanligt tegen mijn verhaal, nl over God de Vader en God de Zoon in de Indonesische context. Hij bladert mijn stuk meteen door, en vraagt of hij het mag hebben, om er tzt aan te kunnen refereren in de Indonesische uitgave van zijn dissertatie. Gelukkig heb ik het document op een usb-stick bij me. Ik vraag hem mij te laten weten wat hij er van vindt.
Over de term Zoon van God heb ik trouwens hier ook weer lesgegeven. Dat stond niet op mijn agenda, maar ik werd er door Kabanga spontaan toe uitgenodigd. Vroeger had de kerk hier een eigen Theologische Hogeschool, maar in 2005 hebben ze die overgedragen aan de overheid, en werd het een Staatsopleiding voor Protestantse theologie (STAKN). Nu wil de Toraja-kerk toch weer een eigen opleiding hebben. De concrete aanleiding is dat een aantal studenten problemen had op die STAKN, verder gingen studeren aan de INTIM in Makassar, en zich daar ook niet thuis voelden. Die studenten krijgen nu gelegenheid om hier hun studie af te ronden. Maar daarnaast is de wens om de eigen identiteit van de kerken hier te bewaren eveneens een belangrijke factor. Het is de bedoeling dat het uiteindelijk een theologische faculteit wordt van de Christelijke Universiteit (UKI Rantepao) die hier nu inmiddels draait op de oude campus. Maar voorlopig is het nog een onofficieel gebeuren, onder verantwoordelijkheid van de leiding van de Gereja Toraja. En het is ook nog erg kleinschalig: ik heb die morgen welgeteld vijf 4e jaars studenten voor me; er zijn ook nog een stuk of 15 1e en 2e jaars, maar die waren er die dag niet. Ondanks het kleine aantal heb ik ze met plezier een paar uur les gegeven.
De reis hierheen had nogal wat voeten in aarde. Ik heb in de vorige brief al iets vertelt over de weg naar Mamasa. Veel is intussen opgeruimd, maar er zijn ook weer nieuwe aard-verschuivingen en steenlawine's die de weg tot halve breedte (of minder) terugbrengen. En de modder in de buurt van Mamasa is door al de regen en door het vrachtverkeer alleen maar erger en dieper geworden. De weg naar Rantepao was verder geen probleem.
Deze week ontmoet ik ook een aantal blanke collega's. In Mamasa is dat ds. Kees Buijs van de CGK. Hij heeft vroeger in Mamasa gewoond, later was hij zendeling in Zuid Afrika, en nu werkt hij afwisselend telkens 2 maanden Indonesië en 2 maanden Zuid-Afrika en bezoekt tussendoor zijn kinderen in Nederland. Kees heeft een eigen kamer in het gastenhuis (was vroeger hun huis!), en we praten heel wat af. Deze keer brengt hij een ongepland bezoek in verband met opnamen die volgende week door Zendtijd voor de Kerken in Mamasa zullen worden gemaakt in het kader van een televisie-kerkdienst in november; bij die uitzending zal als project van de Wilde Ganzen de renovatie van het ziekenhuis in Mamasa worden gepresenteerd. Deze dagen is hij druk om daarvoor een goed plan met begroting klaar te maken. Hij laat me het ziekenhuis zien, en inderdaad: daar mag wel iets aan gebeuren! Maar dan is er ook instructie nodig van de mensen die daar werken: in de onderzoekkamer zitten de oude bloedvlekken aan de muren
Hier in Rantepao heb ik veel contact met ds. Gert de Goeijen en zijn gezin. De GZB heeft hen uitgezonden om hier op het Theologisch Instituut van de Toraja-kerk een bijdrage te leveren aan de praktische vorming van (a.s.) predikanten. Ze zijn hier nog niet zo erg lang, pas vanaf maart. Daarvóór deden ze taalstudie in Yokyakarta; vorig jaar heb ik hen daar opgezocht. Voor hij werd uitgezonden was Gert verbonden aan de PKN in Zwolle (Stinskerk). We zitten deze dagen heel wat af te bomen over theologie, zending, kerkelijke ontwikkelingen, cultuur, en natuurlijk over zijn werk hier. Vrijdagmorgen ben ik aanwezig bij een bespreking met een Australische collega die hier ook aan dat instituut verbonden is, Andrew Buchanan. Deze theoloog van Anglicaanse achtergrond werkt hier al vanaf 2002, en heb ik hier al een paar keer eerder ontmoet. Deze morgen zijn ze zich aan het voorbereiden op een cursus hermeneutiek die ze binnenkort moeten gaan geven. In dat kader komen we ook te spreken over het feit dat er hier in de prediking zo snel aan elke tekst een moralistische toepassing wordt vastgeknoopt: wat je wel en wat je niet moet doen. Andrew denkt dat het te maken heeft met het pragmatisme in de Indonesische samenleving; ik zelf zou het eerder wettische prediking willen noemen. Hoe dan ook: het aspect van wat God doet, en hoe dat van belang is voor jou als hoorder, krijgt in de prediking nauwelijks aandacht. En dat geldt in het algemeen voor vrijwel alle kerken in Indonesië. Terwijl het toch juist allereerst dáárover zou moeten gaan! Dat aspect is bovendien erg relevant in de Indonesische situatie: voor de mensen hier zijn relaties enorm belangrijk. De functie van die relaties zou je kunnen vergelijken met wat bij ons de verzekeringen zijn: jij laat je relaties meegenieten van je overvloed, en als jij op een gegeven moment hulp nodig hebt of oud bent kun je op hen terugvallen. Mensen zijn dus in hoge mate afhankelijk van hun relaties, en ze doen dan ook alles om die relaties goed te houden. Dat weegt als het er op aankomt zelfs zwaarder dan de waarheid, of dan (financiële) eerlijkheid. Tegen die achtergrond is het zaak duidelijk te maken dat God in Christus een relatie met ons wil aangaan, en dat die relatie belangrijker is dan alle andere relaties. Op Hem kun je altijd terugvallen, en bij Hem is je leven pas ècht veilig! Maar ook het wederkerige karakter van de relatie: Hij heeft zóveel gegeven: zijn eigen Zoon! Wat geven wij nu aan Hem?
Vanmiddag maak ik met Gert en hun kinderen een tocht in de omgeving. Fantastische uitzichten over de sawa's en de bergen daarachter! Geen wonder dat hier veel toeristen komen. Maar je ziet ook overal de tekenen dat de oude cultuur hier nog springlevend is. Dodenfeesten, en de beelden van overleden voorouders bij de graven, regelmatig voorzien van de nodige geschenken: eten, kleren, sigaretten. De confrontatie van het Evangelie met de oude heidense gebruiken heeft nog niet veel veranderingen teweeg gebracht. Toch wordt DV in 2013 hier het eeuwfeest van de zending gevierd. Op de terugweg komen we langs het oude huis van de eerste zendeling, Van Loosdrecht. Hij is daar ook vermoord. Per vergissing, omdat de moordenaar het in feite op iemand anders had gemunt? Of omdat hij wel erg strak was ten opzichte van de oude adat? Daarover zijn de meningen verdeeld. De moordenaar is later wel tot geloof gekomen. Maar de oude adat is nog altijd sterk. Dat wil de overheid ook graag zo houden, want dat trekt toeristen, en brengt dus geld in het laatje. Maar hoe staat de kerk eigenlijk tegenover die voorouderverering? Is contextuele theologie het antwoord, en moeten we hier de kant op van Bediako, de Afrikaanse theoloog die in een zelfde soort cultuur Christus als onze grote Voorouder verkondigt? Of is dat grijpen naar de contextualiteit een uitvlucht om de eigen oude identiteit en cultuur te handhaven, zoals prof. Van de Beek stelt? Dan blijft er van een kritische confrontatie van het Evangelie met de heidense gewoonten en gebruiken zoals hier in de Toraja weinig over
Dat is trouwens iets om over door te denken, ook in onze eigen westerse maatschappij. Hoever staan wij zelf open voor het scherpe Woord, als dat wil snijden in onze eigen levensstijl? Weten wij nog wat het christelijke leven concreet inhoudt, en willen we dat eigenlijk nog wel horen? Of is er ook bij ons nog maar al te vaak sprake van zelfhandhaving
Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig (Psalm 51:10)
A Dieu!
Jaap
